Verklarende woordenlijst

Bewijs


Bewijs

Arbiters zijn formeel niet gebonden aan de bewijsregels uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), die voor de burgerlijke rechter gelden (artikel 1039 lid 5 Rv-oud, resp. art. 1039 lid 1 Rv-nieuw indien het geschil na 1 januari 2015 aanhangig is gemaakt). U kunt er echter van uit gaan dat die regels in veruit de meeste gevallen wél als uitgangspunt zullen dienen bij de beoordeling van uw geschil. Het onderstaande, dat betrekking heeft op de burgerlijke rechter, dient derhalve als uitgangspunt, met de mogelijkheid voor arbiters om daarvan af te wijken.

Stelplicht en bewijslast
Als u zonder nadere onderbouwing in een procedure stelt dat u recht heeft op vergoeding van de herstelkosten van uw gebroken ruit door de buurman, zult u weinig succes hebben. U zult meer moeten stellen. Ten minste dat de buurman de ruit heeft beschadigd of heeft toegezegd de door een ander veroorzaakte schade te zullen vergoeden. Het is meestal ook goed daarbij de hoogte van de schade te vermelden.

De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit (art. 150 Rv).

Populair gezegd: “Wie stelt moet bewijzen!” Dat is de hoofdregel van de bewijslastverdeling in het burgerlijk procesrecht.

Er bestaan echter uitzonderingen op die regel.

De bewijsplicht geldt alleen voor feiten en rechten die door de wederpartij betwist worden. Daarbij geldt dat een stelling voor waar wordt aangenomen, tenzij daartegen specifiek verweer wordt gevoerd. Als de wederpartij niet reageert op een stelling, zal de rechter die stelling dus voor waar aannemen.

Een uitzondering geldt voor feiten van algemene bekendheid, die niet bewezen hoeven te worden (vb: kokend water kan brandwonden veroorzaken).

Niet altijd hoeft een stelling 100% te worden aangetoond. Vaak is voldoende dat zij aannemelijk is gemaakt.

Het is niet zo dat een partij automatisch de bewijslast van een stelling op zich neemt, door deze te stellen. Niet alleen het stellen van een feit bepaalt de bewijslast. De overige feiten en stellingen en de rechtsverhouding tussen partijen bepalen mede hoe de bewijslast moet worden verdeeld. Dit wordt verduidelijkt aan de hand van het volgende voorbeeld:

Als u vordert dat uw buurman wordt veroordeeld tot herstel van uw gebroken ruit, moet u bewijzen dat hem een verwijt treft ten aanzien van de schade.

Als de buurman stelt dat hij de ruit niet gebroken kan hebben, omdat hij met vakantie was, hoeft hij niet te bewijzen dat hij met vakantie was, als er verder geen aanwijzing is dat hij de ruit heeft gebroken. U stelt immers dat hij de ruit gebroken heeft en zult dat – gezien zijn betwisting – moeten bewijzen.

Maar als twee mensen iemand die leek op uw buurman een aanhanger vol met zware houten balken hebben zien lossen, vlakbij uw ruit, wordt het opeens aannemelijk dat de buurman de ruit heeft beschadigd. In dat geval zal hij waarschijnlijk wél moeten aantonen dat hij het niet gedaan kan hebben.

De waardering van het gevoerde bewijs is vrij (artikel 152 Rv). Dat wil zeggen dat de rechter zelf mag bepalen of hij de stellingen van partijen op basis van dat bewijs aannemelijk acht. Daarop zijn ook weer uitzonderingen.

Zo is de rechter verplicht de inhoud van dwingende bewijsmiddelen als waar aan te nemen ofwel: hij is verplicht de bewijskracht te erkennen, welke de wet aan bepaalde gegevens verbindt (artikel 151 lid 1 Rv).

Een schriftelijke overeenkomst, bijvoorbeeld, die partijen samen hebben opgemaakt en ondertekend, levert tussen hen in beginsel dwingend bewijs op van de daarin bepaalde rechtsverhouding (artikel 157 Rv).

Tegenbewijs, ook tegen dwingend bewijs, staat vrij, tenzij de wet het uitsluit (artikel 151 lid 2 Rv). In beginsel dient een rechter dus uit te gaan van de afspraken die staan in de door uw wederpartij en u ondertekende aannemingsovereenkomst. Maar u mag door middel van tegenbewijs aantonen, dat u en uw wederpartij bij het aangaan van de overeenkomst iets anders hebben bedoeld dan de letterlijke tekst, of later iets nieuws zijn overeengekomen.