Verklarende woordenlijst

Ontvankelijk(heid)


Ontvankelijk(heid)

Een partij is niet-ontvankelijk in een vordering, als die vordering niet kan slagen om redenen die zijn gelegen buiten de zaak zelf, als sprake is van een beletsel om de zaak inhoudelijk te beoordelen. Dat is bijvoorbeeld het geval (1) als de feiten die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, deze (nog) niet kunnen dragen (tijdelijk niet-ontvankelijk), of (2) als de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel is verstreken (absoluut niet-ontvankelijk).

Het grote verschil tussen een tijdelijke niet-ontvankelijkheid enerzijds en een absolute niet-ontvankelijkheid en ontzegging anderzijds, is dat je tegen een absolute niet-ontvankelijkheid en een ontzegging slechts in hoger beroep kan komen, terwijl je bij een tijdelijke niet-ontvankelijkheid dezelfde vordering nogmaals in eerste aanleg kunt indienen, zodra het eerder geconstateerde bezwaar uit de weg is.

Voorbeeld (1):
De aannemer vordert betaling van de termijn "vloer gereed", maar de vloer is nog niet gereed. Zijn vordering wordt hem dan niet ontzegd, maar hij wordt daarin 'nu' niet-ontvankelijk verklaard (of de vordering wordt afgewezen, want afwijzing omvat zowel niet-ontvankelijkheid als ontzegging). Zodra de vloer gereed is, kan hij dezelfde vordering opnieuw instellen. 

Voorbeeld (2):
De opdrachtgever vordert herstel van een gebrek na afloop van een in de overeenkomst genoemde vervaltermijn, dat wil zeggen een termijn binnen welke een rechtsvordering moet zijn ingesteld. Al is de aannemer daarvoor aansprakelijk, de vordering is te laat ingesteld en kan dus niet worden toegewezen. De opdrachtgever wordt in zijn vordering (absoluut) niet-ontvankelijk verklaard. Anders dan in voorbeeld (1) betekent dat hier een definitieve afwijzing van de vordering. Eens te laat blijft immers altijd te laat. Eens te vroeg, blijft niet altijd te vroeg.