Verklarende woordenlijst

Gedragsregels voor arbiters en Klacht(procedure)


GEDRAGSREGELS VOOR ARBITERS

Gedragsregel 1
Een arbiter dient te allen tijde omstandigheden, op basis waarvan bij enige partij twijfel kan ontstaan aan zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid, aan de beide partijen te melden.

Gedragsregel 2
Een arbiter vermijdt elk contact over de zaak, waarin hij is benoemd, met slechts een der partijen of een van de raadslieden van de betreffende partij, met getuigen, met in die zaak benoemde deskundigen of andere bij die zaak betrokkenen, buiten de behandeling van de zaak ter zitting. Hij mag buiten de formele procesgang om nimmer een ongevraagd door een der partijen aan hem toegezonden stuk of mededeling in aanmerking nemen zonder instemming van de andere partij(en).

Gedragsregel 3
Een arbiter dient zich te onthouden van elke discussie met partijen over een eenmaal gewezen vonnis of de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.

Gedragsregel 4
Een arbiter beseft te allen tijde dat hij er voor partijen is en partijen niet voor hem.

Gedragsregel 5
Arbiters doen alleen in gezamenlijk overleg uitlatingen over de merites van een zaak, die zich onder hen
bevindt, en dan alleen nog voor zover dat dienstig is voor de beoordeling van het geschil en zulks aan partijen wordt uitgelegd. Uitlatingen worden voorts alleen gedaan jegens de gezamenlijke partijen.

Gedragsregel 6
Bij alle contacten met partijen bejegenen en behandelen arbiters partijen en hun raadslieden op dezelfde wijze.

Gedragsregel 7
Bij de behandeling van het geschil worden de (raadslieden van) partijen zo min mogelijk beperkt in hetgeen zij ter instructie van hun zaak naar voren willen brengen. Voorts dient het scheidsgerecht zich op de zitting te onthouden van aanmerkingen op het procesgedrag van enige partij, onfatsoenlijkheden daargelaten, en worden pleidooien niet onderbroken in het geval enige partij of raadsman te kennen heeft gegeven dat niet op prijs te stellen, tenzij de onderbreking noodzakelijk is om de lijn van het betoog te kunnen volgen of anderszins noodzakelijk wordt geacht en die noodzaak aan partijen wordt uitgelegd.

Gedragsregel 8
Het scheidsgerecht geeft niet alleen alle ruimte aan de raadslieden om het woord te voeren, maar geeft ook gepaste ruimte aan de partijen zelf.

Gedragsregel 9
Partijen wordt ruimte gelaten voor het op de zitting voordragen van hun bewijsmiddelen, tenzij gemotiveerd wordt aangegeven dat het eventueel daarmee bewezene niet van belang kan zijn kan voor de te geven beslissingen of overigens niet toelaatbaar is. Hetzelfde geldt voor een verzoek het betreffende werk in ogenschouw te nemen. Een en ander laat onverlet de mogelijkheid een aanbod tot het voordragen van een bewijsmiddel af te wijzen, indien dat aanbod onder de gegeven omstandigheden te laat is gedaan. Arbiters kunnen voor de bewijslevering (onder meer door overlegging van nadere stukken, verhoor van getuigen, horen van deskundigen en bezichtiging) eventueel een nadere zitting, plaats en tijdstip bepalen.

Gedragsregel 10
Een arbiter dient te allen tijde in het oog te houden dat de kosten voor partijen niet onnodig oplopen.

Gedragsregel 11
Arbiters doen nimmer schikkingsvoorstellen zonder dat beide partijen daar tevoren uitdrukkelijk mee hebben ingestemd.

KLACHTPROCEDURE INZAKE SCHENDING VAN DE GEDRAGSREGELS

  1. Partijen in een procedure bij de Raad hebben het recht een klacht over handelingen (nalaten daaronder begrepen) van arbiters die door de klager in strijd worden geacht met de gedragsregels schriftelijk en gemotiveerd in te dienen bij de voorzitter van de Raad.
  2. De voorzitter doet deze klacht af. De voorzitter is bevoegd de behandeling en afdoening van een klacht te delegeren aan een ander bestuurslid van de Raad of een buitengewoon lid van de Raad. Deze heeft dan de bevoegdheden die krachtens dit reglement aan de voorzitter toekomen.
  3. De klacht kan direct na de gewraakte handeling worden ingesteld en in behandeling genomen.
  4. De in de klacht betrokken arbiter wordt in de gelegenheid gesteld tot indiening van een schriftelijke reactie.
  5. De voorzitter van de Raad heeft de bevoegdheid informatie in te winnen bij een ieder, bij wie hij dit dienstig acht.
  6. De voorzitter verstrekt de klager afschrift van de eventuele schriftelijke reactie van de beklaagde. Hij stelt voorts zowel de klager als de beklaagde op de hoogte van de ingewonnen informatie.
  7. De voorzitter kan de klager en de beklaagde in de gelegenheid stellen schriftelijk te reageren op de inhoud van de sub 6 bedoelde reactie en de verkregen ingewonnen informatie. Alleen in dat geval hebben klager, respectievelijk beklaagde daar recht op.
  8. Zodra de procesgang als bedoeld in de vorige artikelen is afgesloten, doet de voorzitter daarvan schriftelijk weten aan klager en beklaagde.
  9. Bij het bericht als bedoeld in artikel 8 worden klager en beklaagde binnen een in het bericht te vermelden termijn in de gelegenheid gesteld te doen weten of zij de klacht respectievelijk het verweer mondeling willen toelichten. Over een dergelijk verzoek beslist de voorzitter. De voorzitter kan ook eigener beweging een mondelinge behandeling gelasten.
  10. De voorzitter heeft het recht zijn beslissing over de klacht aan te houden totdat alle eventuele rechtsmiddelen - de vernietiging van het vonnis of het in hoger beroep daarvan gewezen vonnis daaronder begrepen - tegen de beslissing in de procedure,waarin de gewraakte handeling heeft plaatsgehad, zijn uitgeput.
  11. Indien de klacht gegrond wordt bevonden, kan de uitspraak een aanwijzing inhouden aan de arbiter om in voorkomende gevallen anders te handelen dan hij gedaan heeft of een berisping. De voorzitter is bevoegd tot publicatie van de beslissing.
  12. Tegen de beslissing staat geen nadere voorziening open.
  13. De klachtprocedure laat de mogelijkheid van een verzoek ex artikel 6 van het Arbitragereglement van de Raad onverlet.
  14. Een klacht is niet-ontvankelijk indien deze is ingesteld later dan drie maanden na beëindiging van de last van de beklaagde.
  15. Vergoeding van kosten is uitgesloten.

TOELICHTING KLACHTPROCEDURE

Voor zoveel een klacht beoogt van invloed te zijn op het vonnis, dient de klagende partij de weg te bewandelen die in de wet is voorzien voor de vernietiging van vonnissen.

Teneinde ongewenste interferentie uit te sluiten is de voorzitter de bevoegdheid verleend de beslissing over de klacht aan te houden totdat vaststaat dat de beslissing over de klacht niet meer van invloed kan zijn op de afdoening van de procedure en procedures op basis van ingestelde rechtsmiddelen, de vernietiging daaronder begrepen.

In de klachtprocedure kan uitsluitend worden geklaagd over de schending van de gedragsregels door arbiters; uitdrukkelijk dus niet over de inhoud van het gewezen vonnis.

Voor zoveel een partij meent dat de gewraakte handeling van de arbiter een grond vormt voor het in artikel 6 van het Arbitragereglement van de Raad bedoelde verzoek, kan hij het in dat artikel bedoelde verzoek doen op de wijze als is voorzien in dat artikel. In de klachtprocedure wordt daarover niet beslist.

De afdoening van de klacht verloopt schriftelijk voor zoveel dat uit het reglement van de klachtprocedure volgt. De beslissing wordt in geschrifte aan de klager en de beklaagde uitgereikt.

Voor zoveel een partij meent dat de gedragsregels zijn geschonden door toedoen van de behandelend secretaris, dient hij zijn klacht in te dienen tegen het scheidsgerecht dat de gewraakte handeling heeft toegelaten.

De klachtprocedure kan leiden tot andere maatregelen dan in de klachtprocedure zijn vermeld. Het betreft dan louter interne maatregelen, waarover niet met de klager wordt gecorrespondeerd.