Verklarende woordenlijst

Appeltermijn


Artikel 22 Arbitragereglement RvA luidt voor zover van belang voor de appeltermijnen:

3. Beroep tegen een arbitraal vonnis dient binnen drie maanden na de datum van het betreffende op schrift gestelde vonnis te worden ingesteld door middel van indiening van een memorie van grieven bij het secretariaat.

De appeltermijn loopt derhalve in beginsel af drie maanden na de dag van dagtekening van het eindvonnis (art. 22 lid 3 Arbitragereglement RvA). Indien bijvoorbeeld een eindvonnis is gewezen op 3 januari, is de indiening van de MvG op 3 april nog op tijd en op 4 april te laat. De Raad is verplicht deze termijn streng te handhaven en doet dat ook.

4. Hoger beroep tegen een vonnis in een spoedgeschil als bedoeld in artikel 14 lid 1 sub a of c, [kort gedingen en aanbestedingsgeschillen] dient binnen één maand na de datum van het betreffende op schrift gestelde vonnis te worden ingesteld door middel van indiening van een memorie van grieven bij het secretariaat. De voorzitter beslist omtrent de spoedbehandeling van het hoger beroep.

Voor UAR-geschillen en kort gedingen geldt derhalve een kortere termijn van één maand. 

5. Hoger beroep van een tussenvonnis en/of van een gedeeltelijk eindvonnis kan slechts tezamen met het hoger beroep van het laatste eindvonnis worden ingesteld; zulks lijdt evenwel uitzondering, indien het scheidsgerecht - op verzoek of ambtshalve - in het betreffende vonnis uitdrukkelijk anders heeft bepaald of indien partijen uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen.
6. In het geval enige partij inzake een vonnis gewezen in een geding als bedoeld in de artikelen 15, 16 en 17 [voeging en tussenkomst, vrijwaring en samenvoeging van gedingen] tijdig appelleert, wordt de appèltermijn voor de overige partijen voor zover deze niet incidenteel kunnen appelleren verlengd met een maand, in welke verlengde termijn uitsluitend kan worden geappelleerd op gronden die samenhangen met het eventueel slagen van het ingestelde tijdig appèl.
7. In het geval door enige partij inzake een vonnis gewezen in een geding als bedoeld in de artikelen 15, 16 en 17 [voeging en tussenkomst, vrijwaring en samenvoeging van gedingen] incidenteel is geappelleerd, gaat voor de nog niet in appèl betrokken partijen een extra termijn lopen van een maand na de indiening van het incidenteel appèl. De appellant die gebruik maakt van de extra termijn is in zijn hoger beroep beperkt tot de gronden die samenhangen met het slagen van de grieven van de incidenteel appellant.

In geval van voeging en tussenkomst, vrijwaring en samenvoeging van gedingen kan derhalve een aanvullende termijn gelden, bovenop de termijn die op grond van de leden 3 en 4 geldt.

In artikel 339 Rv, geldende voor de procedures voor de burgerlijke rechter, is eveneens een verlenging van de beroepstermijn opgenomen. De regeling bij de RvA is in een aantal opzichten ruimer: artikel 22 Arbitragereglement RvA kent onder meer een ruimere verlengingstermijn en geldt voor alle partijen. Voorts stelt het Arbitragereglement RvA niet de uit art. 339 Rv volgende voorwaarde dat de vordering in de hoofdzaak in eerste aanleg is afgewezen, maar geldt wel een beperking van de in de verlengde termijn nog aan te voeren gronden van het hoger beroep.

Partijen kunnen overigens vóór het aflopen van de appeltermijn samen overeen komen die termijn te verlengen. Daar is in beginsel geen grens aan. Zolang de grieven worden ontvangen binnen de tussen partijen tijdig overeengekomen (verlengde) appeltermijn, zullen deze in beginsel worden geaccepteerd. Wordt de appeltermijn verlengd tot meer dan zes maanden na het vonnis, dan dient daarvan bericht te worden gegeven aan de Raad, zodat voorkomen wordt dat het dossier van de eerste aanleg wordt vernietigd.

Naast het voorgaande gelden de bepalingen uit de Algemene Termijnenwet. De belangrijkste daarvan zijn:

Art. 1 lid 1
“Een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.”

Art. 3 lid 1 + 2
“1. Algemeen erkende feestdagen in de zin van deze wet zijn: De Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koningin wordt gevierd en de vijfde mei.
2. Voor de toepassing van deze wet wordt de Goede Vrijdag met de in het vorige lid genoemde dagen gelijkgesteld.”