Begripsbepalingen

In dit reglement wordt verstaan onder:

Raad:
de Stichting Raad van Arbitrage voor de Bouw (RvA).

Voorzitter:
de bestuursvoorzitter van de Raad en bij diens ontstentenis of onverenigbaarheid van functies de ondervoorzitter van de Raad.

College van Arbiters:
de arbiters als benoemd en in functie conform artikel 13 van de Statuten van de Raad.

Arbitrage:
de wijze van procederen als bedoeld in het vierde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechts­vorde­ring (Rv).

Scheidsgerecht:
een scheidsgerecht bestaande uit één, drie of vijf arbiter(s), samengesteld overeen­komstig artikel 3 van dit reglement.

Secretariaat:
het bureau van de Stichting Raad van Arbitrage voor de Bouw.

Artikel 1

Dit reglement, vastgesteld conform de Statuten van de Raad, voorziet in de wijze van behandeling van geschillen die door partijen worden voorgelegd aan de Raad, respectievelijk zijn College van Arbiters.

Artikel 2

Doel
Het doel van het College van Arbiters is:

Het beslechten van geschillen op het gebied van de bouwnijverheid, waaronder tevens te verstaan:

  1. Het geven van voorlopige voorzieningen. 
  2. Het opnemen en vaststellen van de hoedanigheid en/of van de toestand van het werkterrein, van het werk, van enig onderdeel daarvan of van enig hulpwerk overeenkomstig het bepaalde in artikel 1020 lid 4 sub a Rv.
  3. De enkele bepaling van de hoogte van een schadevergoeding of van een verschuldigde geldsom, als bedoeld in artikel 1020 lid 4 sub b Rv.
  4. De aanvulling of wijziging van de rechtsbetrekking, als bedoeld in artikel 1020 lid 1 juncto lid 4 sub c Rv.
  5. De schadestaatprocedure als bedoeld in artikel 612 Rv.

Het College van Arbiters is niet gehouden tot beslechting van geschillen buiten de toepasselijkheid van dit reglement, tenzij voor de betreffende regeling - in het kader waarvan het geschil is gerezen - en voor het daarin opgenomen of daarbij behorende arbitragereglement een verklaring van geen bezwaar is afgegeven door de voorzitter. De voorzitter gaat daartoe eerst over na een bestuursbeslissing.

Het scheidsgerecht

Artikel 3
  1. Het scheidsgerecht wordt samengesteld uit het College van Arbiters en benoemd door de voorzitter.
  2. Uiterlijk bij indiening van de memorie van antwoord kunnen partijen aan de voorzitter schriftelijk de naam/- namen opgeven van de door hen in overleg vastgestelde gemeenschappelijke voorkeur voor de te benoemen arbiter(s); bij de benoeming van de arbiter(s) zal de voorzitter zoveel mogelijk rekening houden met de door partijen uitgesproken gemeenschappelijke voorkeur.
  3. Indien partijen zulks zijn overeengekomen, heeft elk van partijen de bevoegdheid binnen de in lid 2 van dit artikel genoemde termijn te vorderen dat één der drie te benoemen arbiters zal behoren tot de leden- jurist van het College van Arbiters.
  4. In de andere dan de in lid 3 van dit artikel bedoelde gevallen is de voorzitter bevoegd om, indien de aard van het geschil zulks naar zijn oordeel wenselijk maakt, één der arbiters te benoemen uit de leden-jurist van het College van Arbiters.
  5. In de in de leden 3 en 4 van dit artikel bedoelde gevallen bestaat het scheidsgerecht steeds uit drie leden, tenzij partijen berechting van het geschil door één lid-jurist zijn overeengekomen. Indien echter een partij gebruik maakt van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 14 lid 4 van dit reglement, bestaat het scheidsgerecht steeds uit drie leden.
  6. Het scheidsgerecht wordt door de voorzitter - voor zover mogelijk – ten laatste benoemd binnen twee maanden nadat de memorie van antwoord is genomen of de daarvoor gestelde laatste termijn ongebruikt is verstreken.
  7. Het benoemde scheidsgerecht kiest als plaats van arbitrage zoals bedoeld in artikel 1037 Rv de statutaire vestigingsplaats van de Raad.
  8. Indien de eis strekt tot betaling van een geldsom groot EUR 100.000,00 of minder, wordt het scheidsgerecht gevormd door één arbiter tenzij
    1. De voorzitter beslist dat de aard van het geschil de berechting door drie arbiters wenselijk maakt;
    2. beide partijen berechting door drie arbiters wensen / zijn overeengekomen.
  9. Als de aard van het geschil daartoe aanleiding geeft kan de voorzitter ook één van de leden-jurist van het College van Arbiters als enig arbiter benoemen.
    De voorzitter kan ook na de benoeming van één arbiter alsnog overgaan tot benoeming van drie arbiters, indien hij zulks alsnog in verband met het verloop van het geschil wenselijk acht of indien beide partijen zulks verzoeken.
  10. Indien de eis uitsluitend strekt tot betaling van een geldsom in hoofdsom groter dan EUR 100.000,00 wordt het scheidsgerecht gevormd door drie arbiters tenzij
    1. de voorzitter beslist dat de eenvoud van het geschil de berechting door één arbiter wenselijk maakt;
    2. beide partijen berechting door één arbiter wensen / zijn overeen- gekomen.
  11. Het in de leden 8 en 9 van dit artikel genoemde bedrag kan door het bestuur van de Raad worden aangepast aan de indexering van de bouwkosten, gepubliceerd door het bureau Documentatie Bouwwezen.
  12. Indien de eis geheel of gedeeltelijk strekt tot iets anders dan betaling in geld, beslist de voorzitter of het scheidsgerecht uit één of drie arbiters zal bestaan, tenzij partijen daarvoor een gezamenlijke voorkeur uitspreken.
  13. De voorzitter is uitsluitend benoembaar tot arbiter in een scheidsgerecht bestaande uit tenminste drie arbiters. Indien en zodra de voorzitter fungeert als arbiter, treedt de ondervoorzitter in zijn plaats voor zover ten aanzien van het geschil een handeling is vereist van de voorzitter.
  14. Indien de opdracht aan één of meer van de benoemde arbiters ophoudt voordat het scheidsgerecht zijn taak heeft volbracht, is de voorzitter bevoegd tot een nieuwe benoeming zonder voorafgaande aanschrijving aan partijen. 
  15. De woorden ‘arbiter(s)’, ‘scheidsgerecht’ enz. worden in dit reglement, tenzij uit de tekst anders blijkt, niet alleen gebruikt voor de wettelijke arbitrage maar ook voor het bindend advies, dus in de betekenis van ‘bindend adviseur(s)’, ‘commissie van advies’ enz.
Artikel 4
  1. De leden van het College van Arbiters die tot arbiter worden benoemd melden zo spoedig mogelijk na ontvangst van hun benoeming aan de voorzitter of zij hun benoeming aanvaarden of dat zij hun benoeming niet kunnen aannemen onder opgave van de reden(en) daarvoor.
  2. De geldigheid van de reden(en) van verhindering wordt beoordeeld door de voorzitter.
  3. De arbiter die zijn benoeming aanvaardt doet daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het secretariaat; zodra alle leden van het scheidsgerecht hun benoeming hebben aanvaard, wordt dit door het secretariaat zo spoedig mogelijk schriftelijk aan partijen meegedeeld.
Artikel 5
  1. Leden aan wie een zaak ter scheidsrechterlijke beslissing of voor het geven van een bindend advies is opgedragen worden door de beëindiging van hun lidmaatschap van hun opdracht ontheven, tenzij de beëindiging van het lidmaatschap een gevolg is van het verstrijken van het kalenderjaar waarin het betreffende lid de 70-jarige leeftijd heeft bereikt of van het bedanken van het lid voor het lidmaatschap.
  2. Leden aan wie een zaak ter scheidsrechterlijke beslissing of voor het geven van een bindend advies is opgedragen worden door schorsing van hun lidmaatschap door de voorzitter wegens ernstig disfunctioneren van hun opdracht ontheven.
Artikel 6
  1. Een arbiter kan op gezamenlijk verzoek van partijen van zijn opdracht worden ontheven. Indien een arbiter rechtens of feitelijk niet meer in staat is zijn opdracht te vervullen, kan hij op verzoek van één der partijen van zijn opdracht worden ontheven. Op verzoek van de meest gerede partij kan de opdracht aan het scheidsgerecht worden beëindigd indien daartoe gegronde redenen bestaan, waaronder begrepen de reden als bedoeld in artikel 1029 lid 5 Rv. Over deze verzoeken beslist de voorzitter van de Raad. Bij inwilliging van het verzoek zal vervanging van de betreffende arbiter c.q. het scheidsgerecht plaatsvinden overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 lid 13 van dit reglement.
  2. Indien een lid van het College van Arbiters wegens geldige redenen van verhindering van het aannemen der benoeming tot arbiter is vrijgesteld, zomede in het geval een arbiter komt te overlijden of op welke wijze ook verhinderd wordt zijn opdracht als arbiter te blijven waarnemen, waaronder begrepen de situaties als bedoeld in artikel 5, geschiedt de nieuwe benoeming op de wijze als in artikel 3 lid 13 van dit reglement bepaald.
  3. Voor zover de benoeming van het scheidsgerecht zou zijn geëindigd door nederlegging van het vonnis ter griffie van het eindvonnis als bedoeld in artikel 12 lid 4, herleeft die benoeming in het geval als bedoeld in artikel 1056, tweede zin Rv.
Artikel 7

Een jurist uit een door de Raad onderhouden bestand als bedoeld in artikel 15 van de Statuten van de Raad wordt ambtshalve als secretaris aan het scheidsgerecht toegevoegd. Hij heeft daarin een adviserende stem.

De wijze van gedingvoering

Artikel 8
  1. Elk geschil moet, hetzij door één der partijen, hetzij door beide partijen, schriftelijk behoorlijk omschreven en toegelicht bij de Raad aanhangig worden gemaakt. Het geschil kan door middel van schriftelijke telecommunicatie en langs elektronische weg als bedoeld in artikel 1072b Rv aanhangig worden gemaakt. 
  2. Als datum van aanhangigmaking geldt de datum waarop het schrijven van aanhangigmaking als in lid 1 van dit artikel aangeduid ter attentie van de voorzitter bij het secretariaat is ingekomen.
    2a. Indien het geschil aanhangig wordt gemaakt tegen een natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf als bedoeld in artikel 6:236 BW, dan kan aan die wederpartij bij aangetekende brief een termijn van een maand gegund worden om zich uit te laten of zij de beslechting van het geschil door arbitrage aanvaardt, tenzij de aanvragende partij de wederpartij al eerder bij aangetekende brief tenminste gedurende een maand de gelegenheid heeft gegeven zich daarover uit te laten. Bij aanvaarding van beslechting door arbitrage zal als datum van aanhangigmaking gelden de datum als bedoeld in lid 2 van dit artikel.
  3. Indien een partij zich in de procedure bij de Raad doet vertegenwoordigen door een gevolmachtigde, niet zijnde een advocaat, dient de betreffende gevolmachtigde overeenkomstig het bepaalde in artikel 1038 lid 1 Rv een schriftelijke procesvolmacht in het geding te brengen.
  4. Iedere eisende partij is hangende de procedure bevoegd tot wijziging, vermeerdering of vermindering van de eis. Wijziging respectievelijk vermeerdering van de eis kan door het scheidsgerecht alleen worden toegestaan wanneer de verwerende partij gelegenheid heeft gehad zich daarover schriftelijk of mondeling uit te laten en wanneer zulks door het scheidsgerecht tegenover deze partij niet onredelijk wordt geoordeeld.
  5. Het geding wordt gevoerd in de Nederlandse taal, tenzij partijen uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen en het scheidsgerecht daarmee instemt.
Artikel 9

Wanneer de tussenkomst van de Raad wordt ingeroepen, nodigt de voorzitter de aanvragende partij(en) uit om als waarborg voor de voldoening van de kosten op de scheidsrechterlijke beslissing vallende een som te storten waarvan het bedrag voor ieder geval afzonderlijk door de voorzitter wordt bepaald.

Artikel 10
  1. Het geschil wordt schriftelijk uiteengezet. Elk van de partijen heeft het recht een memorie bij het scheidsgerecht in te dienen.
  2. Het scheidsgerecht kan zowel in conventie als in een eventuele reconventie het indienen van een tweede memorie toestaan.
  3. Indien de verwerende partij een tegenvordering aanhangig wenst te maken, kan die aanhangigmaking geschieden door uiterlijk in de memorie van antwoord een eis in reconventie op te nemen en kan het scheidsgerecht dat is benoemd in de oorspronkelijke zaak de eis in reconventie tevens in behandeling nemen. In dat geval wordt ook de verwerende partij als ‘aanvragende partij’ beschouwd en is de voorzitter bevoegd te verlangen dat een waarborgsom als bedoeld in artikel 9 van dit reglement zal worden gestort. Van “dezelfde arbitrageovereenkomst” als bedoeld in artikel 1038c lid 1 Rv is sprake indien de vordering is gebaseerd op een arbitrageovereenkomst die verwijst naar de Raad.
  4. De wijze waarop en de termijnen waarbinnen de memories door partijen moeten worden ingediend worden door het scheidsgerecht bepaald; in geval het scheidsgerecht nog niet of niet meer geconstitueerd is, bepaalt de voorzitter omtrent het indienen van memories. De RvA kent daartoe een Rolreglement dat op de website van de RvA is gepubliceerd.
  5. Het scheidsgerecht is bevoegd om in geval de waarborgsom of een door hem verlangde aanvulling op de waarborgsom niet op de daarvoor gestelde datum is voldaan het geding te schorsen, onverminderd het bepaalde in artikel 11 van dit reglement; in het geval het scheidsgerecht niet of niet meer geconstitueerd is, heeft de voorzitter die bevoegdheid.
  6. Indien partijen overeenkomstig het bepaalde in artikel 1038b Rv zijn overeengekomen dat geen mondelinge behandeling van het geschil zal plaatsvinden en één van partijen verzoekt desalniettemin om een mondelinge behandeling, dan kan het scheidsgerecht, de andere partij gehoord hebbend, alsnog tot een mondelinge behandeling besluiten.
  7. Het scheidsgerecht kan een overeenkomstig artikel 1042 Rv benoemde deskundige op eigen initiatief in een zitting horen.
  8. Het scheidsgerecht is bevoegd al datgene te doen wat het tot de goede beslissing van het geding nuttig oordeelt.
Artikel 11
  1. Indien partijen of één van hen hun memories en/of andere stukken naar het oordeel van het scheidsgerecht niet tijdig inleveren of in het algemeen naar het oordeel van het scheidsgerecht de behandeling onnodig vertragen, kan het scheidsgerecht verklaren dat verder zal worden geprocedeerd zonder de achterwege gebleven memories en/of stukken of te verrichten handelingen af te wachten en vervolgens vonnis wijzen.
  2. Het in dit artikel bepaalde laat onverlet de bevoegdheid van het scheidsgerecht om - indien de eisende partij zich ondanks herhaalde aanmaning schuldig maakt aan de in lid 1 bedoelde vertraging of in gebreke blijft de waarborgsom te storten of aan te vullen - vonnis te wijzen of onder goedkeuring van de voorzitter de instantie vervallen te verklaren. Op deze verklaring is artikel 13 van dit reglement van toepassing.
  3. Fungeert nog geen scheidsgerecht of fungeert om enige reden een eerder benoemd scheidsgerecht niet meer, dan komt deze bevoegdheid toe aan de voorzitter.

De uitspraak

Artikel 12
  1. Het scheidsgerecht beslist naar de regelen des rechts, tenzij partijen anders zijn overeengekomen, en bij meerderheid van stemmen.
  2. In afwijking van het eerste lid beslist het scheidsgerecht in geschillen over de aanbesteding van werken, leveringen en diensten, die vallen onder de werking van regelingen die voorzien in de verwerking van de vigerende richtlijn van de Raad van de Europese Unie betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, leveringen en diensten naar de regelen des rechts.
  3. De beslissing wordt - met uitzondering van het in lid 5 van dit artikel bepaalde -gegeven in de vorm van een scheidsrechterlijk vonnis.
  4. Ieder vonnis wordt door de Raad gedeponeerd ter griffie van de rechtbank binnen welker arrondissement de plaats van arbitrage, als bedoeld in artikel 3 lid 7, is gelegen; aan partijen wordt mededeling gedaan van de datum en het nummer van dit depot overeenkomstig de opgave van de genoemde griffie.
  5. Indien partijen beslechting bij wege van bindend advies zijn overeengekomen, beslist het scheidsgerecht in de vorm van een bindend advies.
  6. De Raad is bevoegd om de beslissing openbaar te maken.
Artikel 13
  1. Bij de beslissing op het geschil wordt door het scheidsgerecht tevens vastgesteld het bedrag van de kosten op het geding vallend alsmede door welke der partijen die kosten geheel of gedeeltelijk moeten worden gedragen. Het scheidsgerecht is bevoegd om onder de op het geding vallende kosten te begrijpen een door hem billijk geachte tegemoetkoming van de ene partij aan de andere partij in kosten van bijstand in de procedure.
  2. Bij de vaststelling van de kosten is het scheidsgerecht niet gebonden aan het bedrag der waarborgsom bedoeld in artikel 9 van dit reglement.
  3. Het scheidsgerecht is bevoegd het bedrag van de aan de arbiters verschuldigde honoraria en verdere door het scheidsgerecht gemaakte kosten van de waarborgsom af te houden. Is de waarborgsom hiertoe niet voldoende, dan kan het scheidsgerecht bijstorting vragen; het scheidsgerecht is niet gehouden zijn uitspraak te geven voordat deze bijstorting heeft plaatsgehad.
  4. Indien één partij of beide partijen ondanks herhaalde aanmaning nalatig blijft (blijven) de in dit artikel bedoelde kosten te betalen, is de Raad bevoegd het verschuldigde bedrag in rechte te vorderen.
  5. De kosten verbonden aan een verzoek tot het opnemen en vaststellen van de hoedanigheid en/of toestand van een werkterrein, werk, hulpwerk of enig onderdeel daarvan worden voldaan door de partij(en) die die opneming en vaststelling heeft (hebben) verzocht; in een met een opneming en vaststelling verband houdend geschil kan vergoeding van deze kosten worden gevorderd.

Spoedgeschillen

Artikel 14
  1. Als spoedgeschillen kunnen worden aangemerkt:
    1. verzoeken om voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 1043b lid 1 en lid 2 Rv;
    2. verzoeken tot opneming en vaststelling van de hoedanigheid en/of toestand van een werkterrein, werk, hulpwerk of enig onderdeel daarvan;
    3. bodemgeschillen en voorlopige voorzieningen terzake van aanbestedingen van werken;
    4. bodemgeschillen over andere onderwerpen die naar het oordeel van de voorzitter daarvoor in aanmerking komen;
    met inbegrip van eventuele vorderingen tot (bij)betaling en/of schadevergoeding, in verband staande met de gevallen welke hiervoor in dit artikel sub c en d zijn aangeduid.
  2. Op spoedgeschillen zijn de artikelen 3 t/m 13 van dit reglement van toepassing, zij het met inachtneming van de hierna volgende bepalingen van dit artikel.
  3. Van de voorzitter moet verlof worden verkregen het geschil als spoedgeschil te behandelen; bij hem berust in dat geval de beslissing of het geschil aan één of drie arbiters zal worden opgedragen. Hij kan, alvorens een en ander te beslissen, de verwerende partij(en) in de gelegenheid stellen hem daarover in te lichten. Het overleg van partijen, bedoeld in artikel 3 lid 2 van dit reglement, vervalt.
  4. In geschillen als bedoeld onder lid 1 sub c van dit artikel heeft elk van partijen de bevoegdheid te vorderen dat één arbiter zal behoren tot de leden-jurist van het College van Arbiters. Overeenkomstig artikel 3 lid 5 bestaat het scheidsgerecht alsdan steeds uit drie arbiters en vervalt de in lid 3 van artikel 14 genoemde bevoegdheid van de voorzitter om te bepalen of het geschil door één dan wel drie arbiters zal worden beslist. De partij die van de in de eerste zin van dit lid genoemde bevoegdheid gebruik wil maken dient zulks uiterlijk op de dag van het na te noemen exploot c.q. bericht van aanhangigmaking kenbaar te maken aan de voorzitter, hetzij in het schrijven van aanhangigmaking, hetzij door middel van schriftelijke telecommunicatie.
  5. Geschillen als bedoeld in lid 1 sub c van dit artikel worden steeds als spoedgeschil aangemerkt door het enkele verzoek daartoe, welk verzoek gedaan moet worden bij het schrijven van aanhangigmaking van het geschil; alsdan wordt het in lid 3 van dit artikel genoemde verlof van de voorzitter geacht direct te zijn verleend.
  6. Voor geschillen als bedoeld in lid 1 sub a en c van dit artikel geldt dat het schrijven van aanhangigmaking met de eventuele producties bij deurwaardersexploot aan de wederpartij dient te worden betekend uiterlijk op de datum van binnenkomst van het schrijven van aanhangig- making bij de Raad. Het betekende exploot dient uiterlijk ter mondelinge behandeling in het geding te worden gebracht.
  7. De voorzitter bepaalt de waarborgsom en de datum waarop deze uiterlijk moet zijn betaald.
  8. Indiening van schriftelijke memories heeft slechts plaats wanneer het scheidsgerecht dit nodig acht.
  9. Partijen worden in ieder geval in de gelegenheid gesteld het geschil mondeling uiteen te zetten.
  10. Het scheidsgerecht kan deze geschillen direct afdoen, dan wel - wanneer deze geschillen het scheidsgerecht toeschijnen niet voor spoedbehan- deling in aanmerking te komen - geheel of gedeeltelijk naar de gewone arbitrageregeling verwijzen, behoudens het in lid 11 van dit artikel bepaalde.
  11. Geschillen als bedoeld in lid 1 sub c van dit artikel zal het scheidsgerecht steeds direct afdoen, hetgeen slechts uitzondering lijdt in geval een vordering strekt tot vergoeding van schade, in welk geval het scheidsgerecht de bevoegdheid heeft het geschil geheel of gedeeltelijk naar de gewone arbitrageregeling te verwijzen.
  12. Indien mogelijk en opportuun, zulks ter uitsluitende beoordeling door het scheidsgerecht, doet het scheidsgerecht reeds op de dag van de mondelinge behandeling dan wel op een nader door het scheidsgerecht te bepalen tijdstip mondeling uitspraak onverminderd het bepaalde in artikel 12 van dit reglement.
  13. In geval van een opneming en vaststelling, als bedoeld in lid 1 sub b. van dit artikel, zullen de leden van het College van Arbiters, belast met de opneming en vaststelling, benoembaar zijn tot arbiters in een geschil dat verband houdt met deze opneming en vaststelling.

Voeging en tussenkomst

Artikel 15
  1. Op verzoek van een derde die enig belang heeft bij een arbitraal geding als bedoeld in dit reglement, kan het scheidsgerecht hem toestaan om zich in dat geding te voegen of tussen te komen.
  2. Dit schriftelijk behoorlijk omschreven en toegelichte verzoek moet tijdig aan het scheidsgerecht worden gedaan onder gelijktijdige toezending door de verzoeker van een afschrift daarvan aan partijen.
  3. Een verzoek tot voeging of tussenkomst in een spoedgeschil als bedoeld in artikel 14 sub a en c van dit reglement is als tijdig aan te merken indien dit verzoek niet later door het scheidsgerecht is ontvangen dan om 15.00 uur op de werkdag voorafgaande aan de dag van de mondelinge behandeling van het spoedgeschil.
  4. Het verzoek kan uitsluitend door het scheidsgerecht in behandeling worden genomen, indien de verzoekende derde genoegzaam aantoont, dat tussen hem en één van partijen in het betreffende arbitraal geding een overeenkomst tot arbitrage, verwijzend naar de Raad, tot stand is gekomen; alsdan zal die overeenkomst tot arbitrage gelden als de in artikel 1045 lid 1 Rv bedoelde “zelfde overeenkomst tot arbitrage tussen de partijen en de derde”..
  5. Het scheidsgerecht is bevoegd de verzoeker uit te nodigen een waarborgsom te storten, waarvan de hoogte en de uiterlijke betaaldatum door het scheidsgerecht worden bepaald.
  6. Het scheidsgerecht zal de partijen in het arbitraal geding horen en vervolgens beslissen over het verzoek tot voeging of tussenkomst van de derde.
  7. Indien het scheidsgerecht de verzochte voeging of tussenkomst toestaat, zal de voeging of tussenkomst worden behandeld door hetzelfde scheidsgerecht dat is benoemd in het arbitraal geding als bedoeld in lid 1 van dit artikel.
  8. De mondelinge behandeling van de toegestane voeging of tussenkomst van de bedoelde derde vindt plaats op dezelfde dag als is vastgesteld voor de mondelinge behandeling van het arbitraal geding genoemd in lid 1 van dit artikel.
  9. Op de behandeling van de voeging of tussenkomst zijn - behalve indien uit de betreffende bepalingen anders volgt - de artikelen 3 t/m 14 van dit reglement van overeenkomstige toepassing.

Vrijwaring

Artikel 16
  1. Een partij in een arbitraal geding kan het scheidsgerecht verzoeken een derde in vrijwaring te mogen oproepen onder gelijktijdige toezending van een afschrift van dat verzoek aan de wederpartij; het verzoek moet met redenen zijn omkleed.
  2. Indien het verzoek door de verwerende partij wordt gedaan, is zij in haar verzoek niet-ontvankelijk, indien dit verzoek niet vóór alle weren wordt gedaan uiterlijk op de datum, bepaald voor de indiening van de memorie van antwoord. Indien het verzoek door de eisende partij wordt gedaan, is zij in haar verzoek niet-ontvankelijk, indien dit verzoek niet wordt gedaan uiterlijk op de datum, bepaald voor de indiening van de memorie van repliek.
  3. Het verzoek kan overigens slechts worden behandeld, indien de verzoekende partij gemotiveerd stelt dat tussen haar en de in vrijwaring op te roepen derde een overeenkomst tot arbitrage tot stand is gekomen, verwijzend naar de Raad; alsdan zal die overeenkomst tot arbitrage gelden als de in artikel 1045a lid 1 Rv bedoelde “zelfde overeenkomst tot arbitrage tussen de partijen en de derde”..
  4. Het scheidsgerecht zal partijen op het verzoek horen en vervolgens een beslissing nemen.
  5. Op het verzoek is het bepaalde in artikel 15 lid 5 van dit reglement van overeenkomstige toepassing.
  6. Indien het scheidsgerecht de oproeping in vrijwaring toestaat, kan het scheidsgerecht het geschil in vrijwaring tevens in behandeling nemen, behoudens het bepaalde in lid 7 van dit artikel. De in vrijwaring opgeroepen derde wordt door toelating van de vrijwaring partij in het geding.
    Het scheidsgerecht nodigt de verzoekende partij uit een memorie van eis in de vrijwaring bij het scheidsgerecht in te dienen.
    Indien de verwerende partij in de vrijwaring een tegenvordering wenst aanhangig te maken, kan die aanhangigmaking geschieden door uiterlijk in de memorie van antwoord in vrijwaring een eis in reconventie op te nemen en kan het scheidsgerecht de eis in reconventie tevens in behandeling nemen; in dat geval wordt ook de verwerende partij in de vrijwaring als “aanvragende partij” beschouwd en is artikel 15 lid 5 van dit reglement van overeenkomstige toepassing.
  7. Indien de overeenkomst tot arbitrage tussen de verzoekende partij en de verwerende partij in de vrijwaring voorziet in een bevoegdheid als bedoeld in artikel 3 lid 3 van dit reglement, is de voorzitter bevoegd om desverzocht ter vervanging van één van de reeds benoemde arbiters alsnog een lid-jurist van het College van Arbiters tot arbiter te benoemen.
  8. De mondelinge behandeling van de hoofdzaak en van de vrijwaring vindt gevoegd plaats.
  9. Op de behandeling van de vrijwaring zijn - behalve indien uit de betreffende bepalingen anders volgt - de artikelen 3 t/m 14 van dit reglement van overeenkomstige toepassing.

Samenvoeging van gedingen

Artikel 17
  1. De voorzitter kan op verzoek van een partij of uit eigen beweging de samengevoegde behandeling van twee of meer bij de Raad aanhangige geschillen bevelen op grond van de samenhang van die geschillen. Alvorens daartoe over te gaan geeft hij partijen gelegenheid zich over de samengevoegde behandeling uit te laten.
  2. Een partij in een bij de Raad aanhangig arbitraal geding, waarvan het onderwerp samenhangt met een bij een ander arbitrage-instituut in Nederland aanhangig geding, kan verzoeken om die gedingen algeheel samen te voegen, mits dat andere geding (hierna ook: het samen te voegen geding) wordt gevoerd onder toepasselijkheid van een reglement dat op inhoudelijk overeenkomstige wijze voorziet in de mogelijkheid van algehele samenvoeging van arbitrale gedingen. Het verzoek tot samenvoeging kan reeds worden gedaan in de memorie waarmee het eigenlijke geschil bij de Raad aanhangig wordt gemaakt.
  3. Partijen in een bij de Raad aanhangig geschil doen uitdrukkelijk afstand van de mogelijkheid om een verzoek tot samenvoeging van arbitrale gedingen te doen overeenkomstig het bepaalde in artikel 1046 Rv, indien het reglement, toepasselijk op het samen te voegen geding, eveneens voorziet in de mogelijkheid van algehele samenvoeging van arbitrale gedingen, tenzij zich het geval voordoet als bedoeld in artikel 18 lid 5.
  4. Verzoeken die strekken tot het gedeeltelijk samenvoegen van een bij de Raad aanhangig arbitraal geding met een bij een ander arbitrage-instituut in Nederland aanhangig geding, kunnen niet worden gehonoreerd.
  5. Verzoeken die strekken tot het samenvoegen van een bij de Raad aanhangig arbitraal geding met een bij een ander arbitrage-instituut in Nederland aanhangig geding, worden geacht niet te zijn gedaan hangende een in een van die gedingen gedaan beroep op onbevoegdheid van het scheidsgerecht.
  6. Verzoeken die strekken tot het samenvoegen van een bij de Raad aanhangig spoedgeschil als bedoeld onder a en c van artikel 14 lid 1 van dit reglement met een bij een ander arbitrage-instituut in Nederland aanhangig geding kunnen niet worden gehonoreerd.
  7. Het verzoek moet schriftelijk worden gedaan aan de voorzitter van de Raad en dient vergezeld te zijn van:
    1. een opgave van het adres van het secretariaat van het arbitrage- instituut waar het samen te voegen geding aanhangig is;
    2. zo mogelijk een exemplaar van het geschrift waarmee het samen te voegen geding aanhangig is gemaakt;
    3. een exemplaar van het arbitragereglement dat op het samen te voegen geding van toepassing is.
Artikel 18
  1. Alvorens op het verzoek te beslissen stelt de voorzitter de partij(en) in het bij de Raad aanhangige geding in de gelegenheid om binnen een door hem gestelde termijn van ten hoogste veertien dagen kanttekeningen bij het verzoek te maken. Van het verzoek en de gemaakte kanttekeningen zendt hij een afschrift aan de voorzitter van het arbitrage-instituut waar het samen te voegen geding aanhangig is. Indien dat arbitrage-instituut geen voorzitter heeft, wordt het afschrift gezonden aan het orgaan dat de bevoegdheid heeft tot het benoemen van een scheidsgerecht, hierna ook te noemen de benoemingsbevoegde.
  2. Op het verzoek tot samenvoeging wordt gezamenlijk beslist door de voorzitter en de voorzitter/benoemingsbevoegde van het arbitrage- instituut waar het samen te voegen geding aanhangig is. Ingeval de samenvoeging wordt gelast, bepalen dezen eveneens hoe het scheidsgerecht voor de samengevoegde gedingen zal zijn samengesteld en - los daarvan - welk reglement op de samengevoegde gedingen van toepassing zal zijn.
  3. Ingeval de samenvoeging wordt gelast, bepalen zij voorts hetgeen aan de arbiters die als gevolg van de samenvoeging van hun opdracht worden ontheven toekomt voor de reeds door hen verrichte werkzaamheden. Dit geldt eveneens ten aanzien van de door het secretariaat van een arbitrage-instituut gemaakte kosten voor zover dat secretariaat als gevolg van de samenvoeging niet langer het secretariaat voert van de samengevoegde gedingen.
  4. De in het eerste lid genoemde voorzitters, respectievelijk de voorzitter en de benoemingsbevoegde, kunnen een verzoek tot samenvoeging afwijzen in verband met de stand waarin een geding of de gedingen, waarvan de samenvoeging wordt verzocht, zich bevindt respectievelijk zich bevinden.
  5. Indien de voorzitter en de voorzitter/benoemingsbevoegde van het arbitrage-instituut waar het samen te voegen geding aanhangig is, laten weten dat geen overeenstemming is bereikt over het al dan niet samenvoegen van de gedingen, dan wel over de samenstelling van het scheidsgerecht of over het toepasselijke reglement, ontstaat de mogelijkheid tot het doen van een verzoek tot het samenvoegen van arbitrale gedingen overeenkomstig het bepaalde in artikel 1046 Rv.
  6. Heeft het verzoek tot samenvoeging betrekking op drie of meer samen te voegen gedingen bij verschillende arbitrage-instituten, dan moet in de vorige leden voor ‘benoemingsbevoegde’ ‘benoemingsbevoegden’ worden gelezen.
Artikel 19

Het scheidsgerecht voor de samengevoegde gedingen doet steeds het geheel van die gedingen af. Het is echter op elk moment gerechtigd om, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van enige partij, een geschil of een gedeelte daarvan te verwijzen naar het oorspronkelijk fungerende arbitrage-instituut, na welke verwijzing het voor de samenvoeging op dat geschil van toepassing zijnde arbitragereglement daarop wederom van toepassing wordt.

Artikel 20

Tegen een door het scheidsgerecht voor de samengevoegde gedingen gewezen vonnis staat uitsluitend arbitraal hoger beroep open indien en voor zover:

  1. alle op de oorspronkelijke gedingen toepasselijke reglementen in de mogelijkheid van arbitraal hoger beroep voorzien, of
  2. de bij het samengevoegde geding betrokken partijen bij overeenkomst in de mogelijkheid van arbitraal hoger beroep hebben voorzien of daarin alsnog voorzien.
Artikel 21

Het in de artikelen 17 t/m 20 bepaalde is van overeenkomstige toepassing indien een partij in een bij een ander arbitrage-instituut in Nederland aanhangig geding verzoekt om dat geding samen te voegen met een bij de Raad aanhangig geding.

Hoger beroep

Artikel 22
  1. Ieder der partijen heeft in beginsel het recht om van een in eerste aanleg gewezen vonnis van de Raad in hoger beroep te komen.
  2. Hoger beroep van een arbitraal vonnis is uitgesloten indien het vonnis, ware het gewezen door de gewone rechter, niet vatbaar zou zijn geweest voor hoger beroep.
  3. Hoger beroep tegen een arbitraal vonnis dient binnen drie maanden na de datum van het betreffende op schrift gestelde vonnis te worden ingesteld door middel van indiening van een memorie van grieven bij het secretariaat van de Raad, tenzij partijen vóór afloop van die termijn verlenging van die termijn uitdrukkelijk zijn overeengekomen.
  4. Hoger beroep tegen een vonnis in een spoedgeschil als bedoeld in artikel 14 sub a of c dient binnen één maand na de datum va het betreffende op schrift gestelde vonnis te worden ingesteld door middel van indiening van een memorie van grieven bij het secretariaat van de Raad, tenzij partijen vóór afloop van die termijn verlenging van die termijn uitdrukkelijk zijn overeengekomen. De voorzitter beslist omtrent de spoedbehandeling van het hoger beroep.
  5. Hoger beroep van een tussenvonnis en/of van een gedeeltelijk eindvonnis kan slechts tezamen met hoger beroep van het laatste eindvonnis worden ingesteld; zulks lijdt evenwel uitzondering, indien het scheidsgerecht - op verzoek of ambtshalve - in het betreffende vonnis uitdrukkelijk anders heeft bepaald of indien partijen uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen. De overeenkomst tussen partijen hoger beroep alsnog open te stellen brengt geen wijziging in de appeltermijn als bedoeld in de leden 3 en 4 van dit artikel.
  6. Ten behoeve van een procespartij in eerste aanleg, niet zijnde appellant, wordt de appeltermijn verlengd met drie maanden, indien die partij appel wenst in te stellen tegen een andere procespartij in eerste aanleg, in welke verlengde termijn uitsluitend kan worden geappelleerd op gronden die samenhangen met het eventueel slagen van het eerder ingestelde appel.
  7. In het geval een procespartij in eerste aanleg, niet zijnde incidenteel appellant, naar aanleiding van een ingesteld incidenteel appel alsnog appel wenst in te stellen tegen een andere procespartij in eerste aanleg, geldt ten behoeve van die partij een extra termijn van drie maanden na het aanhangig maken van het incidenteel appel, in welke verlengde termijn uitsluitend kan worden geappelleerd op gronden die samenhangen met het eventueel slagen van het eerder ingestelde incidenteel appel.
  8. Van bindende adviezen staat geen hoger beroep open.
Artikel 23
  1. Het hoger beroep zal worden behandeld door een scheidsgerecht gevormd door drie appelarbiters of, indien beide partijen voor het in artikel 3 lid 2 bedoelde moment aan de voorzitter mededelen zulks te zijn overeengekomen en het scheidsgerecht in eerste aanleg uit drie leden bestond, door vijf appelarbiters.
  2. Tot appelarbiters zijn benoembaar leden-deskundige en leden-jurist van het College van Arbiters.
  3. Van een appelscheidsgerecht maakt minstens één lid-jurist van het College van Arbiters deel uit.
  4. Een arbiter die aan de behandeling van het geschil in eerste instantie heeft deelgenomen, is niet benoembaar tot appelarbiter.
  5. De secretaris die overeenkomstig artikel 7 van dit reglement aan het scheidsgerecht in eerste aanleg werd toegevoegd, zal niet kunnen worden toegevoegd als secretaris aan het appelscheidsgerecht.
Artikel 24
  1. Voor zover uit de artikelen 22 en 23 van dit reglement niet anders volgt zijn op het hoger beroep van toepassing de artikelen 3 t/m 16 van dit reglement, met dien verstande dat het aanhangig maken van een tegenvordering als bedoeld in artikel 10 lid 3 van dit reglement en het indienen van een tweede memorie als bedoeld in artikel 10 lid 2 niet zal zijn toegestaan en dat beslissing in hoger beroep bij wege van bindend advies zal zijn uitgesloten.
  2. De wederpartij van de appellant heeft het recht om harerzijds incidenteel appel in te stellen ook na de in artikel 22 lid 3 respectievelijk lid 4 genoemde termijn, doch uiterlijk tegelijk met de door haar in te dienen memorie van antwoord in principaal hoger beroep; in dat geval wordt de partij die als eerste in beroep is gekomen in de gelegenheid gesteld een memorie van antwoord op het incidenteel appel in te dienen.
  3. Het appelscheidsgerecht kan een wijziging, vermindering of vermeerdering van eis van een in eerste aanleg gestelde eis toestaan wanneer de verwerende partij gelegenheid heeft gehad zich daarover schriftelijk of mondeling uit te laten en wanneer zulks door het appelscheidsgerecht tegenover deze partij niet onredelijk wordt geoordeeld. In ieder geval kunnen worden gevorderd rente, huur, schade of kosten, die zijn vervallen of ontstaan nadat in eerste aanleg werd beslist.
  4. Een nieuw verweer kan worden gevoerd mits dat niet in strijd is met de houding die de partij, die dat nieuwe verweer voert, in eerste aanleg heeft aangenomen.

Overige bepalingen

Artikel 25

Op in dit reglement genoemde termijnen is de Algemene Termijnenwet van toepassing.

Artikel 26

Over punten met betrekking tot de berechting van arbitragegeschillen die niet zijn geregeld in de statuten en /of dit reglement, beslist het scheidsgerecht.

Artikel 27
  1. Dit reglement kan worden gewijzigd door het bestuur van de Raad.
  2. Dit reglement evenals iedere wijziging daarvan treedt in werking één maand na het depot daarvan bij de Rechtbank te Amsterdam.

Gedeponeerd: 15 januari 2016
In werking getreden: 15 februari 2016